15 maart 2012

Het jaar van Boon

We hebben hem leren kennen, niet in de Ardennen, wel op school, we waren nauwelijks 16, maar van het mannelijke geslacht. We moesten – toen moesten we nog - zijn Uitleenbibliotheek lezen. Een flinterdun boekje en daarom kregen we ook De dood van mijn poes op ons bord. Het was die van Jacob Van Looy. Wie kent deze Haarlemnaar met de neerhangende snor nog? Wij dachten, wellicht een neef van de keizer van Herentals.

We voelden niet de aandrang om boeken te lenen bij Boon en zijn Jeanneke en ook Jacobs poes liet ons koud. Met de jaren kwam daar verandering in. Nu willen we al eens poezen aaien en boeken lenen.

De bende van Jan de Lichte deed ons overstag gaan. Het hoofdstuk waarin bendeleden in de fabriek gaan werken, hoe Boon dat beschrijft, dat greep ons bij de keel, daarmee maakte hij indruk. Vooruit dan maar, weg met alle klaagliederen om Agnes, de families Roothooft en de bollen Kaas. Nee, de kaas niet, de maker van Kaas lustten we te graag. Elsschot had trouwens (aanvankelijk) een boon voor Louis Paul Boon. Hij vond dat die voor zijn eerste roman De voorstad groeit, een prijs verdiende. Die hij dan ook kreeg.

Was hij blijven leven, Boon zou honderd zijn geworden dezer dagen. Maar toen hij lucht kreeg van de nobelprijs die op hem lag te wachten, gaf hij er de brui aan.

Als besluit, Boon en Wetteren, nog een winnend duo. Boon met bolhoed was de graag geziene gast op de Wetterse poëziemarkt. Zelf wij zijn te jong om er herinneringen aan te hebben. In de bibliotheek kan je gelukkig in boeken en knipsels nog kennismaken met de poëziemarkten van de jaren te lang geleden. Doen zeggen we.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen